|
Rechtspraak na 13 mei
2000
In de periode voor 13 mei is er veel gebeurd wat
-achteraf- niet door de beugel bleek te kunnen. Voor 13 mei werden
veel dingen simpelweg gedoogd en toonde de overheid nauwelijks
belangstelling voor gevaarlijke zaken. Er zijn nogal wat
rechtszaken geweest, en van een van de belangrijkste, die tegen de
beide directeuren Pater en Bakker, heeft de heer Piet IJgosse een
samenvatting gemaakt voor de wijkkrant Enschede Noord.
Door Piet IJgosse
RECHTSGANG VUURWERKRAMP
Tijdens de behandeling van de vuurwerkramp, heeft de gemeente er flink van langs
gekregen. Rechtbankpresident Breitbarth uitte in de zitting harde kritiek op het handwerk
van de gemeente. Hij noemde de handelwijze van de gemeente volstrekt onbegrijpelijk. Zijn spijkerharde kritiek gold in navolging van Oosting tevens de brandweerleiding, wegens het ontbreken van een aanvalsplan. De wijkkrant volgde de rechtsgang.
Gemeente
Het vonnis uitspreken (21 stuks A4-tjes) neemt bijna een uur in beslag. De
rechtbankpresident: "De gemeente heeft verkeerde prioriteiten gelegd door de beperkt
beschikbare menskracht veel te veel in te zetten op nieuwe prestigeprojecten, in plaats van de nodige aandacht te schenken aan de handhaving en controle van bestaande zaken. Ook heeft zij, kennelijk uit angst voor het moeten betalen van hoge vergoedingen in geval van verhuizing van S.E. Fireworks, uit veiligheidsoogpunt volstrekt onacceptabele situaties in het leven geroepen door iets te vergunnen dat in wezen nooit vergund had mogen worden. De uitgifte van een bouwvergunning voor de opslag van vuurwerk in zeecontainers, was ook onwettelijk. Controlerende ambtenaren hebben niet of onvoldoende gecontroleerd en de brandweer beschikte niet over een aanvalsplan".
Burgemeester
Burgemeester Mans op 13 mei 2002 bij de herdenking van de vuurwerkramp voor de
camera van TV-Oost gevraagd om commentaar op het oordeel van de rechtbank: "Ik heb
daar afstand van genomen, daar ga ik niet over. Dat zijn zaken die de rechtbank aangaan". Waarom hebt u niet gereageerd dringt de verslaggever bij Mans aan, de kritiek op de rol van de gemeente was vernietigend. De burgemeester: "Ik heb geen oordeel uitgesproken omdat wij niet gevraagd zijn, geen oordeel hebben mogen uitspreken voor de rechtbank, geen partij zijn. Het hoort niet om -zo ben ik opgevoed- uitspraken te doen op uitspraken van de rechter, dat moeten anderen doen".

Een roos voor de slachtoffers; midden stille getuige (S.E. Fireworks)
Vonnis
Bakker en Pater, de twee directeuren van S.E. Fireworks, zijn door het gerecht niet
schuldig of medeschuldig bevonden aan de vuurwerkramp in deze wijk. Zij zijn alleen
veroordeeld voor overtreding van milieuregels en illegale handel in vuurwerk. Daarop staan
veel geringere straffen dan wanneer zij schuldig waren bevonden aan brand door schuld en dood door schuld. Alle twee krijgen een half jaar gevangenisstraf (waarvan 3 maanden
voorwaardelijk). Omdat zij al 3 maanden in voorarrest zaten zijn ze met onmiddellijke
ingang in vrijheid gesteld.
Het gerecht vindt niet bewezen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de
aangetoonde overtredingen van de milieuregels door de directie van S.E. Fireworks en het
feit dat een brand op hun terrein aan de Tollenstraat zich kon uitbreiden tot explosies met de
bekende fatale afloop. De rechtbank tekent daarbij aan, dat de brand in de
centrale (werk)bunker al onder controle was toen de ontploffingen plaatsgrepen. Ook
niet bewezen
wordt geacht dat de brand zich kon verspreiden doordat de deuren van de zeecontainers en
mavo-boxen onvoldoende brandwerend waren. Nota bene, de directie beschikte over de
vereiste toestemming om daarin vuurwerk op te slaan. Volgens de rechters is niet bewezen
dat de massa-explosies waren uitgebleven als het bedrijf had beschikt over een
sprinklerinstallatie (een warmtegevoelig element voorzien van een sproeier). Het vonnis stelt
dat het Bakker en Pater niet te verwijten valt dat hun opgeslagen vuurwerk massa-explosief
was, nu niet bewezen is dat zij dat wisten en ook niet dat ze dat, gelet op de stand van de
kennis in de vuurwerkbranche konden weten.
2 jaar later
Officiële vonnis
Dit is de tekst van het vonnis. bron
www.rechtspraak.nl
Samenvatting uitspraken SE Fireworks
Bron: Rechtbank Almelo
Datum actualiteit: 3-04-2002
RECHTBANK ALMELO
Parketnummer: 08/000119-00 OM / [Verdachte P]
Ga naar de betreffende uitspraak met nummer: AE0934
Parketnummer: 08/000120-00 OM / [Verdachte B]
Ga naar de betreffende uitspraak met nummer: AE0935
Openbare uitspraken: 2/4/2002.
Samenvatting voor de uitspraken
De tenlastelegging verkort en zakelijk samengevat:
De officier van justitie heeft aan [Verdachte P] en [Verdachte B] het volgende
ten laste gelegd:
het opdracht geven tot en/of het feitelijk leiding geven aan het zich al dan
niet opzettelijk in strijd gedragen met één of meer voorschriften verbonden
aan vergunningen krachtens het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
door SE Fireworks;
het opdracht geven tot en/of het feitelijk leiding geven aan het al dan niet
zonder vergunning opzettelijk uitbreiden door de SE Fireworks van haar
inrichting;
het opdracht geven en/of feitelijk leiding geven aan het al dan niet opzettelijk
niet voldoen door SE Fireworks aan haar verplichting alle maatregelen te treffen
ter beperking van het gevaar -waarvan SE Fireworks wist, althans redelijkerwijs
had kunnen vermoeden- dat handelingen met de stoffen en/of preparaten en/of
producten waarmee zij werkte kunnen doen optreden.
het al dan niet opzettelijk illegaal handelen in vuurwerk, althans het opdracht
en/of feitelijk leiding geven aan die handel gepleegd door SE Fireworks;
het opdracht en/of feitelijk leiding geven aan handelingen van SE Fireworks
waardoor die vennootschap mede schuld heeft aan het zich uitbreiden dan wel
ontwikkelen van een brand, zodanig dat deze een of meer ontploffing(en) en/of
andere branden tot gevolg had, hetgeen tot de dood van 20 mensen heeft geleid.
Overwegingen van de rechtbank.
Met betrekking tot de (niet)ontvankelijkheidsverweren in de zaak tegen
[Verdachte P]:
Namens [Verdachte P] zijn ter terechtzitting de volgende
ontvankelijkheidsverweren gevoerd:
1. de officier van justitie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn
recht tot strafvervolging wegens schending van het in artikel 6, lid 2 van het
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) vervatte recht dat iedere verdachte voor onschuldig wordt
gehouden totdat onherroepelijk in zijn zaak is beslist.
Daartoe is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat een hoge justitiële autoriteit
voor het publiek bestemde uitlatingen heeft gedaan, waarin hij een verdenking
presenteerde als onomstotelijk feit.
De rechtbank passeert dit verweer. Dat door de media veel aandacht is en wordt
besteed aan de ramp die zich op 13 mei 2000 in Enschede heeft voltrokken, acht
de rechtbank begrijpelijk en dat deze aandacht zich zou uitstrekken tot het
strafproces was eveneens te verwachten. Een strafproces dient evenwel te worden
gevoerd in de rechtzaal aan de hand van het strafdossier en niet in de media.
De rechtbank heeft zich er aan gestoord dat door deelnemers aan dit strafproces
uitlatingen zijn gedaan in de media, betrekking hebbend op de rol die verdachten
in deze zaak al dan niet bij het ontstaan van de ramp van 13 mei 2000 zouden
hebben gespeeld. De rechtbank heeft zich niet geheel af kunnen sluiten voor al
hetgeen in de media over deze zaak is gezegd en geschreven, maar heeft zich
uiteraard bij haar beoordeling van de zaak beperkt tot het procesdossier en
hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.
De raadsman heeft ter terechtzitting aangegeven dat de hiervoor door hem
bedoelde uitlating betreft de door de hoofdofficier van justitie te Almelo op
een persconferentie waar de stand van zaken betreffende de
vervolgingsbeslissingen werd weergegeven, gedane mededeling “dat er bij SE
Fireworks te veel vuurwerk lag”.
Omdat door de raadsman ter onderbouwing van zijn betoog ter terechtzitting geen
stukken zijn overgelegd, waaruit blijkt dat de hiervoor vermelde bewoordingen
door de hoofdofficier zijn gebezigd, kan de rechtbank de stelling van de
raadsman uitsluitend beoordelen aan de hand van de inhoud van een door het
Openbaar Ministerie in verband met bedoelde persconferentie uitgegeven persmap.
Uit de stukken in deze persmap kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden
afgeleid dat de hoofdofficier een en ander gezegd heeft.
Hierbij wordt nog opgemerkt dat in een door politie en Openbaar Ministerie met
betrekking tot de vuurwerkramp uitgegeven folder “Stand van zaken
strafrechtelijk onderzoek en hoe nu verder”, juist uitdrukkelijk is gewezen op
het feit “dat voorkomen moet worden dat een verdachte nog voordat de zaak voor
de rechter is geweest, in de media al schuldig of onschuldig wordt verklaard”.
Er is daarom geen sprake geweest van schending van de in artikel 6, lid 2 EVRM
vastgelegde onschuldpresumptie.
2. de officier van justitie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens
zowel schending van het beginsel “equality of arms”, als bedoeld in artikel
6 EVRM, omdat de officier van justitie gedurende de voorlopige hechtenis over
een veel uitgebreider dossier beschikte dan de verdediging, terwijl aan de
verdediging wezenlijke informatie in verband met de rechtmatigheid van de
detentie van verdachte werd onthouden als wegens schending van het recht op een
tegensprekelijk en daarmee eerlijk proces als gewaarborgd in respectievelijk de
artikelen 5, lid 4 en 6, lid 3 van het EVRM.
Daartoe is met betrekking tot de equality of arms onder meer aangevoerd dat
achteraf kan worden vastgesteld dat de officier van justitie gedurende de
voorlopige hechtenis ten behoeve van de raadkamer een selectie uit het totale
onderzoeksdossier heeft gemaakt, waarin beschikbare, wezenlijke en voor
verdachte ontlastende onderzoeksresultaten niet waren opgenomen.
De rechtbank overweegt dat de meervoudige raadkamer van deze rechtbank bij haar
tussenbeslissing van 28 juni 2000, gegeven naar aanleiding van een door de
raadsman ingediend bezwaarschrift in verband met het onthouden van processtukken
aan klager en diens raadsman, heeft gelast dat het hele dossier waarover de
officier van justitie op dat moment beschikte, uiterlijk op 10 juli 2000 ter
beschikking van de raadkamer diende te worden gesteld, opdat de raadkamer van de
inhoud daarvan kon kennis nemen.
In afwachting hiervan heeft de raadkamer de vordering van 28 juni 2000 tot
verlenging van het voorarrest niet voor de maximale termijn van 30 dagen, maar
voor een termijn van 14 dagen ingewilligd. Na ontvangst en kennisneming van het
gehele dossier, heeft de raadkamer geoordeeld dat er voldoende bezwarende
omstandigheden tegen verdachte voorhanden waren en dat het belang van het
onderzoek op dat moment nog vorderde dat aan de verdediging de kennisneming van
de door de rechter-commissaris aangegeven processtukken werd onthouden.
De raadkamer heeft vervolgens na onderzoek van het gehele dossier geoordeeld dat
de vereiste verdenking, bezwaren en gronden betreffende de feiten ten aanzien
waarvan de verdenking is gerezen nog bestonden, waarna door haar op 14 juli 2000
de gevangenhouding van verdachte is verlengd voor een termijn van 30 dagen.
De rechtbank is van oordeel dat door de hiervoor beschreven procedure, door de
raadkamer de geconstateerde fouten van het OM tijdig zijn hersteld en dat in
voldoende mate is tegemoetgekomen aan de bezwaren van de verdediging.
De rechtbank merkt in dit verband overigens nog op, dat het hiervoor bedoelde
“inzagerecht” blijkens de aan het proces-verbaal raadkamer gehechte
pleitnotities, door de raadsman kennelijk op 2 augustus 2000 ook aan de orde is
gesteld bij de behandeling in hoger beroep van voormelde beslissing, welke
beslissing door het Gerechtshof te Arnhem op 3 augustus 2000 is bevestigd.
Ter onderbouwing van de tweede stelling is aangevoerd dat een verdachte
voldoende tijd en gelegenheid geboden moet worden om de noodzaak van de
voorlopige hechtenis aan te vechten. In casu is daarvan volgens de raadsman geen
sprake geweest omdat de rechter-commissaris hem bij de voorgeleiding ten behoeve
van de inbewaringstelling onvoldoende gelegenheid heeft geboden om het
voorgeleidingsproces-verbaal te bestuderen.
De rechtbank overweegt hieromtrent dat artikel 5, lid 4 EVRM beoogt de
rechtsgeldigheid van de vrijheidsberoving door een rechterlijke instantie te
laten toetsen.
Deze toetsing betreft de rechtmatigheid (lawfulness) van de detentie, die in
overeenstemming moet zijn met het nationale recht en de principes van het
verdrag. In het kader van deze toetsing dient de gedetineerde de mogelijkheid te
hebben om zijn standpunt duidelijk te maken, waarbij kennis van het dossier van
belang is om de rechtmatigheid van de detentie te kunnen beoordelen. In dit
verband dient de gedetineerde ingevolge artikel 6, lid 3 EVRM te beschikken over
de tijd en de faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn
verdediging.
In haar beslissing van 30 juni 2000, gegeven op het op 26 juni 2000 door de
raadsman ingediende verzoekschrift waarin door hem onder meer aan de orde was
gesteld dat de verdediging bij de voorgeleiding onvoldoende tijd kreeg om het
voorgeleidingsproces-verbaal te bestuderen, heeft de raadkamer overwogen dat een
ervaren raadsman als mr. Meijers in staat moet worden geacht om in een relatief
beperkte tijd de essentialia van het proces-verbaal van de voorgeleiding in zich
op te nemen. De rechtbank deelt dat standpunt en zij is van oordeel, dat van
schending van het bepaalde in artikel 5, lid 4, juncto artikel 6, lid 3 EVRM,
geen sprake is geweest.
3. In de derde plaats is door de raadsman van verdachte ter terechtzitting
aangevoerd -net zo als op 6 december 2001- dat het Openbaar Ministerie
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat door de intensiteit van
dwangmiddelen waaraan verdachte onderworpen is geweest, met name het langdurig
afluisteren in de woning van verdachte, een ernstige, niet te rechtvaardigen
inbreuk is gemaakt op het recht van verdachte op een eerlijk proces, als bedoeld
in artikel 6 EVRM, alsmede op diens persoonlijke levenssfeer als bedoeld in
artikel 8 EVRM.
De rechtbank heeft op de terechtzittingen van 10 januari 2002 en 4 maart 2002 al
geoordeeld dat de genoemde dwangmiddelen, wat de aard en de methode en de wijze
van toepassing ervan betreft, in overeenstemming met het recht zijn gehanteerd
en ondernomen en dat daarbij geen sprake is geweest van een zodanige schending
van beginselen van een behoorlijke procesorde, dat op grond daarvan de officier
van justitie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De rechtbank
beschouwt deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen als
hier herhaald, ingelast en overgenomen.
Voor wat betreft het langdurig direct afluisteren in de woning van verdachte
overweegt de rechtbank bovendien nog dat op 5 januari 2001 door de officier van
justitie een vordering machtiging bevel tot het opnemen van vertrouwelijke
communicatie met een technisch hulpmiddel ex art. 126 l Wetboek van
Strafvordering bij de rechter-commissaris is ingediend. Als deelnemer aan de
communicatie wordt in de vordering genoemd: [Verdachte P]. Als de besloten
plaats waar de vertrouwelijke communicatie moest worden opgenomen het adres:
[adres] te [woonplaats] (de woning van [Verdachte P]).
Deze vordering en de daarop volgende machtiging van de rechter-commissaris
hadden evenwel geen betrekking op het onderzoek tegen [Verdachte P], maar
betrekking op een strafrechtelijk onderzoek naar brandstichting door een
onbekende verdachte.
De rechtbank komt, gelet op het hiervoor overwogene, tot de conclusie dat nu het
afluisteren in de woning van [Verdachte P] is geschied in het kader van een
ander strafrechtelijk onderzoek dan het onderzoek tegen [Verdachte P], een
eventuele ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [Verdachte P]
niet zal kunnen leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van
justitie in de strafzaak tegen [Verdachte P]. Ook dit verweer moet daarom worden
gepasseerd.
4. In de vierde plaats heeft de raadsman betoogd dat de officier van justitie
niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat hij heeft gehandeld in
strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Daartoe is gesteld dat er
door de politie door het ten onrechte vermelden van een geconcerteerde actie
tussen de raadslieden van [Verdachte B] en [Verdachte P] in een proces-verbaal
voortzetting onderzoek, kennelijk op ambtseed onjuiste mededelingen zijn gedaan
om de raadkamer te overtuigen van het onderzoeksbelang, met als doel de
voorlopige hechtenis, inclusief de beperkingen, te continueren.
De rechtbank passeert het verweer. Anders dan de raadsman is de rechtbank van
oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden
dat er sprake is geweest van het opzettelijk opmaken van een onjuist
proces-verbaal door de desbetreffende verbalisanten.
De rechtbank merkt in dat verband nog op dat laatstgenoemden, kennelijk toen
bleek dat de door hen in voormeld proces-verbaal gedane bewering onjuist was, in
een aanvullend proces-verbaal ook hebben gerelateerd “dat uit het onderzoek
niet is gebleken van enig contact tussen de raadslieden mr. J.P.Plasman en mr.
G.Meijers”.
5. In de vijfde plaats heeft de raadsman betoogd dat het Openbaar Ministerie
wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur
niet-ontvankelijk moet worden verklaard, stellende dat de vorige eigenaar van SE
Fireworks, [Vorige eigenaar], ten onrechte niet wordt vervolgd voor de strafbare
feiten welke aan verdachte zijn ten laste gelegd.
De rechtbank overweegt daaromtrent:
Ingevolge het bepaalde in artikel 4 van de Wet op de rechterlijke organisatie,
juncto artikel 167 Wetboek van Strafvordering, is het Openbaar Ministerie belast
met de vervolging van strafbare feiten. Deze exclusieve toedeling van het
vervolgingsrecht beoogt te voorkomen dat strafrechtelijk optreden afhankelijk
zou worden van de persoonlijke inzichten van benadeelde personen, met dien
verstande, dat de ruime discretionaire bevoegdheid van de officier van justitie
ex artikel 167 Wetboek van Strafvordering om al dan niet tot vervolging over te
gaan, wordt beperkt door de werking van beginselen van een goede procesorde.
Eén van deze beginselen betreft het gelijkheidsbeginsel, behelzende dat
vergelijkbare gevallen ook gelijk dienen te worden behandeld.
Bij toetsing van de vervolgingsbeslissing aan dit beginsel domineert het eigene
van elk strafbaar feit, elke situatie, elke dader met zijn eigen persoonlijkheid
en al of niet strafrechtelijk verleden.
Gelet op deze criteria, is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat de
door de raadsman genoemde [Vorige eigenaar] niet is vervolgd -welke motieven ook
hebben mogen leiden tot deze beslissing- niet meebrengt dat de officier van
justitie niet-ontvankelijk zou zijn in zijn vervolging van verdachte. Dat in de
zaak van verdachte niet is gebleken van de gronden waarop is afgezien van de
vervolging van genoemde [Vorige eigenaar], anders dan dat vervolging van [Vorige
eigenaar] slechts betrekking zou kunnen hebben op overtredingen van
vergunningsvoorschriften die reeds langer dan 4 jaar geleden zijn gepleegd, doet
hieraan niet af.
Daarenboven merkt de rechtbank nog op dat voor de vraag of het voornemen van het
Openbaar Ministerie om genoemde [Vorige eigenaar] niet strafrechtelijk te
vervolgen moet leiden tot niet-ontvankelijkheid, beslissend is of -alle
omstandigheden in aanmerking genomen- het Openbaar Ministerie door verdachte ter
zake te vervolgen, in strijd handelt met wettelijke- of verdragsbepalingen, dan
wel met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Naar het oordeel van de
rechtbank is hiervan in casu onvoldoende gebleken, terwijl haar evenmin is
gebleken dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de
verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is
tekortgedaan.
6. In de zesde plaats is betoogd dat het Openbaar Ministerie wegens schending
van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur niet-ontvankelijk
behoort te worden verklaard, stellende dat de Staat der Nederlanden, de gemeente
Enschede en de bij die lichamen werkzame functionarissen die nauw bij de
verlening der opvolgende vergunningen aan SE Fireworks en de controle op de
naleving van die vergunningen betrokken zijn geweest, ten onrechte niet worden
vervolgd voor de strafbare feiten die aan verdachte zijn ten laste gelegd.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de heersende leer betreffende deze
materie het volgende:
In het zogenaamde Volkel-arrest is door de Hoge Raad met betrekking tot de
strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat der Nederlanden overwogen:
“Als uitgangspunt dient te gelden dat de handelingen van de Staat geacht
moeten worden te strekken tot de behartiging van het algemeen belang. Daartoe
kan de Staat door wet- en regelgeving, bestuur, feitelijke gedragingen of
anderszins alle aangelegenheden aantrekken. Voor de handelingen van de Staat
zijn ministers en staatssecretarissen in het algemeen verantwoording
verschuldigd aan de Staten-Generaal. Daarnaast kunnen zij wegens ambtsmisdrijven
strafrechtelijk worden vervolgd en berecht op de voet van artikel 483 en
volgende van het Wetboek van Strafvordering. Met dit stelsel strookt niet dat de
Staat zelf voor zijn handelingen strafrechtelijk aansprakelijk gesteld kan
worden”.
Daarmee is gelet op de heersende leer gegeven dat strafrechtelijke vervolging
van de Staat voor hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd niet mogelijk is.
In het zogenaamde Pikmeer II arrest is door de Hoge Raad met betrekking tot de
strafrechtelijke aansprakelijkheid van lagere overheden overwogen: “Voorop
staat dat de overheid, zowel de Staat als decentrale overheden, zoals
provincies, gemeenten en waterschappen, zich als iedere burger dient te houden
aan de wet.
De vraag, of en in hoeverre een decentrale overheid, zoals de gemeente, naast
het bestaan van bestuurlijke en politieke controle, strafrechtelijk kan worden
aangesproken indien wordt gehandeld ter behartiging van een bij de wet aan die
overheid opgedragen bestuurstaak, is in de wetsgeschiedenis welke ten grondslag
ligt aan de totstandkoming van artikel 51 Wetboek van Strafrecht ter sprake
gekomen.
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot invoering
van artikel 51 Sr. houdt namelijk onder meer in: “Bij een figuur die in zo
uiteenlopende verschijningsvormen en functies aan het maatschappelijk verkeer
deelneemt als de publiekrechtelijke rechtspersoon is de vraag of strafbaarheid
in beginsel dient te worden uitgesloten of aanvaard in het algemeen niet te
beantwoorden. Een zinvolle benadering lijkt alleen mogelijk, indien onderscheid
wordt gemaakt tussen de verschillende casusposities.
De meest voor de hand liggende differentiatie is dan wel die waarbij onderscheid
wordt gemaakt al naar gelang het strafbare feit is te plaatsen in het verband
van de algemene of specifieke bestuurstaak waarmee het publiekrechtelijk lichaam
is belast dan wel is gepleegd binnen een ondernemingsactiviteit die ook door
particulieren kan worden verricht.
In het tweede geval, wanneer de publiekrechtelijke rechtspersoon als ondernemer
heeft gehandeld, bestaat er geen voldoende grond haar anders te bejegenen dan
privaatrechtelijke rechtspersonen die dezelfde of vergelijkbare activiteiten
verrichten”.
Nu de gedragingen van de gemeente met betrekking tot de aan verdachte ten laste
gelegde feiten zonder uitzondering zijn te plaatsen in het verband van de
specifieke bestuurstaak waarmee hij is belast, is ook hij, gelet op de heersende
leer, voor die feiten niet te vervolgen.
In het zogenaamde Pikmeer I arrest heeft de Hoge Raad met betrekking tot de
strafrechtelijke aansprakelijkheid van ambtenaren en arbeidscontractanten in
dienst van een openbaar lichaam geoordeeld dat de omstandigheid dat de
rechtspersoon zelf niet kan worden vervolgd omdat deze een openbaar lichaam is
in de zin van hoofdstuk 7 van de Grondwet en optreedt ter vervulling van een in
de wet opgedragen bestuurstaak, meebrengt dat strafvervolging evenmin kan worden
ingesteld tegen die ambtenaren of arbeidscontractanten, indien zij in die
hoedanigheid ter uitvoering van die bestuurstaak opdracht hebben gegeven tot of
feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging.
Daarmee is, nu de betreffende ambtenaren hetgeen zij verricht hebben zonder
uitzondering in bovenbedoeld kader hebben verricht, gegeven dat zij, gelet op de
heersende leer, strafrechtelijk niet vervolgd kunnen worden.
In verband met een verschil van mening tussen het kabinet en leden van de Tweede
Kamer over het antwoord op de vraag of strafrechtelijke aansprakelijkheid van de
Staat onder omstandigheden verwezenlijkt zou moeten kunnen worden -welke vraag
het kabinet ontkennend beantwoordt, maar een grote meerderheid van de Tweede
Kamer bevestigend- heeft de Minister van Justitie bij brief d.d. 1 mei 2001
namens het kabinet aan een viertal vooraanstaande juristen verzocht om hun
gedachten over deze materie te laten gaan. In februari 2002 is hun rapport
verschenen en daarin geven zij als hun visie dat strafrechtelijke immuniteit van
de overheid zoals die thans wordt aangenomen, met name met betrekking tot de
materie die in zaken als de onderhavige aan de orde is -het ordeningsrecht- niet
altijd wenselijk is.
Hoewel dit oordeel in zijn essentie overeenstemt met de gevoelens van de
meerderheid van de Tweede Kamer, ziet de rechtbank toch geen aanleiding om tot
niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in deze strafzaak te
besluiten. De beslissing van het Openbaar Ministerie om niet van de heersende
leer af te wijken is gerechtvaardigd.
Het is niet aan de rechterlijke instanties te Almelo om in deze het voortouw te
nemen, maar hier is een taak weggelegd voor de wetgever, hetzij voor het
gerechtshof te Arnhem in het kader van de daar lopende procedure ex artikel 12
Wetboek van Strafvordering.
Feiten waarvan volledig vrijgesproken wordt (beide verdachten):
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder
4 primair (culpose veroorzaking van brand en/of ontploffing en/of ontploffing
met dodelijk gevolg) en subsidiair (dood door schuld) is ten laste gelegd, zodat
hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt dat zij met één enkele uitzondering -namelijk het in
combinatie opgeslagen hebben en houden van onverpakt en verpakt vuurwerk- het
aldaar opgenomen feitencomplex weliswaar vaststaand acht, maar niet dat er een
zodanig oorzakelijk verband bestaat tussen die feiten en de gevolgen, dat die
gevolgen in redelijkheid aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Meer in het bijzonder wordt daarbij overwogen dat:
de brand in ruimte C2 onder controle was toen de ontploffingen zich voordeden en
bovendien niet bewezen is dat de brand in deze bewaarplaats de enige primaire
brandhaard is geweest;
niet bewezen is dat het niet zelfsluitend zijn en ongenoegzaam brandwerend zijn
van de deuren van de MAVO-boxen en zeecontainers in enig verband met de
uitbreiding van de brand en de ontploffingen staat;
het opslaan van vuurwerk in de onvoldoende brandwerende zeecontainers aan
verdachten was vergund;
niet bewezen is dat de aanwezigheid van een wel functionerende sprinkler-
installatie tot gevolg gehad zou (kunnen) hebben dat het opgeslagen vuurwerk
niet massaal ontploft zou zijn;
aan verdachte niet te verwijten valt dat het opgeslagen vuurwerk massa-explosief
was, nu niet bewezen is dat hij zulks wist en evenmin dat hij dit gelet op de
stand van de kennis in de branche, behoorde te weten.
Met betrekking tot verdachte [Verdachte P]:
Omdat van feit 4 wordt vrijgesproken, ziet de rechtbank geen aanleiding om een
onderzoek te gelasten naar de brandbaarheid van het namens verdachte aan de
rechtbank ter beschikking gestelde betonplexplaatje.
Feiten die geheel of gedeeltelijk bewezen worden verklaard (beide verdachten):
a. dat de vennootschap onder firma SE Fireworks zich op tijd en plaats in de
dagvaarding vermeld opzettelijk gedragen heeft in strijd met de aan haar
verleende vergunning Wet milieubeheer door
vuurwerk aanwezig te hebben in de opslagloods/ruimte H en op 13 mei 2000 in
bunker C2;
vuurwerkbewaarplaatsen niet te voorzien en voorzien te houden van zelfsluitende
en voldoende (30 minuten) brandwerende deuren;
meermalen, bij beëindiging van werkzaamheden in de werk-, ompak- en
montageruimte, het restant van het vuurwerk en het omgepakte vuurwerk niet naar
de bewaarplaatsen terug te brengen;
aan welke gedragingen verdachte, tezamen en in vereniging met een ander deels
opdracht en feitelijke leiding heeft gegeven en deels uitsluitend feitelijk
leiding heeft gegeven.
b. dat de v.o.f. S.E. Fireworks zich op plaats en tijd als in de dagvaarding
vermeld niet opzettelijk in strijd heeft gedragen met haar vergunning Wet
milieubeheer door in strijd daarmee in een bewaarplaats en in een zogenaamde
MAVO-box meer vuurwerk en vuurwerk van een zwaardere klasse opgeslagen te hebben
dan toegestaan, aan welke gedragingen verdachte, tezamen en in vereniging met
een ander opdracht en feitelijke leiding heeft gegeven;
c. dat de v.o.f. S.E. Fireworks op tijd en plaats als in de dagvaarding vermeld
opzettelijk, zonder vergunning, haar inrichting heeft veranderd door twee
zeecontainers voor de opslag van vuurwerk bij te plaatsen, waartoe verdachte,
tezamen en in vereniging met een ander, opdracht en feitelijk leiding heeft
gegeven.
d. dat de v.o.f. S.E. Fireworks op plaats en tijd als in de dagvaarding vermeld
opzettelijk, beroepshalve vuurwerk, in Nederland heeft ingevoerd, terwijl zij
wist dat door haar handelingen met die stoffen gevaren konden optreden voor mens
of milieu en daarbij niet aan haar verplichting voldaan heeft om alle
maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, om die
gevaren zoveel mogelijk te beperken doordat zij vuurwerk opgeslagen had in
ruimtes die niet waren voorzien van een adequate sprinkler-, althans
brandblusinstallatie, waarbij verdachte, tezamen en in vereniging met een ander,
opdracht en feitelijke leiding heeft gegeven.
e. dat verdachte op plaats en tijd als in de dagvaarding vermeld, meermalen,
telkens opzettelijk, vuurwerk dat niet aan particulieren mocht worden geleverd
heeft afgeleverd aan particuliere gebruikers en dat bovendien heeft gedaan op
tijdstippen waarop dat niet mocht en vanuit een inrichting van waaruit die
verkoop niet is toegestaan.
Motivering vrijspraak met betrekking tot het opzettelijk aanwezig hebben van
teveel en te zwaar vuurwerk (beide verdachten):
Voor wat betreft de vrijspraak van verdachte ten aanzien van het element opzet
met betrekking tot het hiervoor sub 1 bewezen verklaarde aanwezig hebben in
strijd met de vergunningsvoorschriften 13.2.10 en/of 2.1.1 en/of 3.9 van meer en
zwaarder vuurwerk in de bewaarplaatsen, de MAVO-boxen en de zeecontainers,
overweegt de rechtbank dat haar ter gelegenheid van het onderzoek is gebleken
dat er eigenlijk niemand in Nederland -ook niet de instanties die belast waren
met vergunningverlening en de advisering daarbij- enig benul had van de
gevarenklasse waarin in grote hoeveelheden opgeslagen vuurwerk ingedeeld behoort
te worden. Een eigen classificatie na invoer hier te lande daarvoor is nooit
gemaakt, testen zijn nooit gedaan en zelfs een zogenaamde bureauclassificatie
heeft nimmer plaatsgevonden. Dit alles anders dan in een veelheid andere landen,
die wel maatregelen op dit gebied hebben genomen.
Ook is de rechtbank van oordeel dat tijdens de zogenaamde PTO-cursus het
onderdeel classificatie volstrekt onderbelicht is gebleven. Wat er daarbij aan
de orde is gekomen mag geen naam hebben en heeft bovendien uitsluitend
betrekking op de transportclassificatie, waarbij het uiteraard om veel geringere
hoeveelheden en hele andere omstandigheden gaat dan bij opslag.
Op haar vragen aan verdachten en getuigen in hoeverre ervaren vuurwerkbezigers
als verdachte, op grond van hun zintuiglijke waarnemingen kunnen constateren of
vuurwerk in een zwaardere klasse dan 1.4 S of 1.4 G dient te worden ingedeeld,
heeft de rechtbank geen eenduidig antwoord kunnen krijgen.
De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden te ver voert om
van verdachte te verlangen dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij
vuurwerk binnen kreeg en in zijn bedrijf opgeslagen had, dat zwaarder was dan in
de vergunningen was toegestaan, laat staan dat hij dat wist.
Bewijsmotivering (beide verdachten):
opdracht geven en feitelijk leiding geven:
Met betrekking tot het opdracht geven tot dan wel het feitelijk leiding geven
aan de hiervoor sub 1, sub 2 en sub 3 bewezen verklaarde feiten overweegt de
rechtbank het volgende:
Op 2 april 1998 werd door SE Fireworks vennootschap onder firma vennoot
[Verdachte B] bij de Kamer van Koophandel voor Veluwe en Twente te Enschede
melding gedaan van de voortzetting van het bestaande bedrijf SE Fireworks,
gevestigd te Enschede aan de Tollensstraat 50. De voortzetting van het bedrijf
geschiedt onder de oude naam SE Fireworks. De aanvangsdatum van de voortzetting
is 1 januari 1998. Als vennoten staan ingeschreven [Verdachte B], diens
echtgenote [Echtgenote van [Verdachte B]], [Verdachte P] en [Vennoot 4], allen
vanaf 27 april 1998 vertegenwoordigingsbevoegd. Vanaf 21 juli 1999 is deze
vertegenwoordigingsbevoegdheid aldus gewijzigd, dat [Verdachte B] alleen bevoegd
is.
Op 29 maart 2000 worden de inschrijvingsgegevens bij de Kamer van Koophandel in
die zin gewijzigd, dat [Verdachte B] en [Echtgenote van [Verdachte B]] uit
functie als vennoot zijn getreden en dat met ingang van 30 maart 2000 als nieuwe
vennoot is toegetreden Moonlight Events B.V., met als bestuurder [Verdachte B]
voornoemd.
Blijkens het op 27 april 1998 door notariskantoor Hoving voor het bedrijf SE
Fireworks opgestelde vennootschapscontract zijn de bevoegdheden van de vennoten
als volgt verdeeld:
-De werkzaamheden van de vennootschap worden tussen de vennoten onderling
geregeld en verdeeld;
-De vennoten [Verdachte B] en [Verdachte P] zijn belast met de verzorging van de
volgende werkzaamheden: ieder met de in- en verkoop en andere beleidsbepalende
activiteiten, zulks in onderling overleg met elkaar af te stemmen.
Voor wat betreft de aansprakelijkheid van de feitelijk opdrachtgever voor
strafbaar handelen van de rechtspersoon, dient te worden vastgesteld of de
verdachte daartoe opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven.
Opdracht geven impliceert in dit verband een actieve opzettelijke betrokkenheid
bij een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in casu sprake
is geweest. Verdachte was in de tenlastegelegde periode samen met de
medeverdachte als directeur (mede)verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van
zaken binnen het bedrijf SE Fireworks.
In die hoedanigheid gaf hij rechtstreeks leiding en opdracht aan het personeel
bij een aantal werkzaamheden, zoals de wijze van het lossen, het inpakken en het
verzendklaar maken van bestellingen vuurwerk ([Verdachte P]) dan wel instructies
en opdrachten met betrekking tot vuurwerkshows, expeditiewerkzaamheden en
veiligheidsvoorschriften, was hij mede belast met de administratie van het
bedrijf en onderhield hij de contacten met klanten en overheidsinstanties
([Verdachte B]).
Aldus vervulde verdachte een zodanige rol binnen het geheel van de
bedrijfsactiviteiten, dat de organisatie daardoor kon blijven (dis)functioneren
op een wijze, zoals bewezen verklaard.
Voor de strafbaarheid van feitelijk leidinggeven zijn ingevolge vaste
rechtspraak van de Hoge Raad twee (minimum)voorwaarden (Slavenburg-criteria)
geformuleerd. Van feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging is sprake:
-indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege
laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is, en
-hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal
voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert.
Het eerste criterium geeft aan dat de gedraging bij feitelijk leidinggeven kan
bestaan uit nalaten. Feitelijke bemoeienis met, of het houden van toezicht op de
uitvoering van het delict, is niet vereist; het doen van een suggestie die tot
de verboden gedraging leidt, is voldoende voor feitelijk leidinggeven.
De bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien een functionaris feitelijke
zeggenschap heeft over de gedraging, die de rechtspersoon wordt geacht te hebben
verricht. Die zeggenschap berust onder meer bij bestuurders en directieleden.
Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte als een zodanige functionaris aan
te merken, immers was hij -zoals gezegd- als directeur van het bedrijf SE
Fireworks mede verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken binnen het
bedrijf, terwijl hij uit hoofde van zijn functie bevoegd was tot ingrijpen en
daartoe ook redelijkerwijs gehouden was.
De hiervoor genoemde tweede voorwaarde voor feitelijk leidinggeven, impliceert
dat de verdachte opzet moet hebben op de verboden gedraging, in welk verband
voorwaardelijk opzet voldoende wordt geacht, mits dat voorwaardelijk opzet bij
de feitelijk leidinggever persoonlijk aanwezig is. Het opzet moet derhalve zijn
gericht op de verboden gedraging, dat wil zeggen op de gedraging en op de
omstandigheden die de gedraging strafbaar maken. Het antwoord op de vraag, of in
casu aan verdachte opzet kan worden toegerekend, hangt af van de interne
organisatie van de rechtspersoon en van de taak en verantwoordelijkheid van de
betrokken natuurlijk persoon. Ten aanzien van verdachte is dienaangaande uit het
onderzoek ter terechtzitting gebleken, althans aannemelijk geworden, dat:
-hij samen met zijn medevennoot directeur is van de rechtspersoon SE Fireworks;
-hij al vele jaren ervaring in de vuurwerkbranche heeft;
-de rechtspersoon meerdere werknemers heeft;
-zijn medevennoot en hij, verdachte, onderling een verdeling van de
werkzaamheden hebben gemaakt;
-zij zich ingevolge die verdeling bezig hielden met de werkzaamheden als in de
vorige alinea omschreven;
-die werknemers daarbij zijn opdrachten uitvoerden;
-hij, verdachte, bij de overname van het bedrijf de vergunningen niet heeft
gelezen
en deze ook daarna nooit heeft gelezen; dat hij derhalve niet weet wat er in de
vergunning staat.
Hoewel verdachte, gelet op het vorenstaande, dus bekend was, en naar het oordeel
van de rechtbank ook moest zijn met de gebreken binnen het bedrijf, heeft hij
verzuimd de nodige maatregelen te nemen, maar is hij mede leiding blijven geven
aan de bedrijfsactiviteiten, daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaardend
dat de verboden gedragingen, als bewezen verklaard, zich zouden voordoen.
De vergunningen:
Met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde is met een beroep op artikel
20.8 Wet milieubeheer aangevoerd dat dit geen strafbaar feit oplevert en dat
verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, omdat de in 1997 en
1999 aan SE Fireworks B.V., respectievelijk de vennootschap onder firma SE
Fireworks afgegeven vergunningen Wet milieubeheer niet in werking zijn getreden.
Daarom zouden de verweten gedragingen niet aan deze vergunningen moeten worden
getoetst, maar aan de in 1977 en 1979 aan [Vorige eigenaar] afgegeven
vergunningen
De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt:
Op grond van artikel 20.8 van de Wet milieubeheer treedt een besluit tot
verlening van een milieuvergunning in die gevallen, waarin de vergunning
betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting dat tevens is
aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet, pas in werking als de
betrokken bouwvergunning is verleend.
Geenszins kan worden uitgesloten dat dit artikel niet alleen van toepassing is
indien op de aanvraag om een bouwvergunning nog niet is beslist, maar ook indien
geen bouwvergunning is aangevraagd.
Artikel 20.8 van de Wet milieubeheer is slechts dan van toepassing, als de
milieuvergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een
inrichting dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet.
Ingevolge de in december 1979 aan [Vorige eigenaar] verleende
hinderwetvergunning was opslag van vuurwerk in het bunkercomplex en in de zeven
MAVO-boxen toegestaan. Indien en voorzover er toen voor deze bewaarplaatsen geen
bouwvergunning was afgegeven, had de oprichting en/of verandering van de
inrichting naar de thans geldende regels moeten worden aangemerkt als bouwen in
de zin van de Woningwet. Een bepaling als artikel 20.8 van de Wet milieubeheer
bestond echter op dat moment nog niet. Feit is wel dat het bunkercomplex en de
MAVO-boxen er in 1997 al zeer geruime tijd stonden zonder dat, terwijl een
bouwvergunning ontbrak, door de gemeente handhavend werd opgetreden.
Bij de milieuvergunningen van 22 april 1997 en 19 juli 1999 werd (uitbreiding
van de) opslag van vuurwerk toegestaan in de reeds bestaande bunkers en
MAVO-boxen, alsmede in drie, respectievelijk veertien zeecontainers. Ten tijde
van de aan deze vergunningen ten grondslag liggende aanvragen was artikel 20.8
van de Wet milieubeheer reeds in werking getreden.
Voor zover het de (uitbreiding van de) opslag in de bunkers en de zeven
MAVO-boxen betreft, kan de uit de vergunningen van 1997 en 1999 voortgevloeide
verandering van de inrichting niet worden aangemerkt als bouwen in de zin van de
Woningwet omdat de betreffende bunkers en MAVO-boxen er al stonden en hieraan
geen wijzigingen aangebracht behoefden te worden die als bouwen zijn te
beschouwen. Artikel 20.8 van de Wet milieubeheer is in zoverre dan ook niet van
toepassing.
Het vorenstaande geldt echter niet voor de zeecontainers. Handelen conform de
vergunningen hield immers in plaatsing van zeecontainers. Dat deze er wellicht
stonden op het moment van de aanvraag doet daaraan niet af, omdat de opslag van
vuurwerk in zeecontainers vóór 1997 nog niet was vergund. Artikel 20.8 van de
Wet milieubeheer is daarom ten aanzien van de zeecontainers wel van toepassing.
Vaststaat dat voor de zeecontainers geen bouwvergunning was aangevraagd en
verleend. Resteert de vraag of als gevolg hiervan de vergunningen van 22 april
1997 en 19 juli 1999 in het geheel niet in werking zijn getreden of slechts niet
voor zover het de bepalingen omtrent de zeecontainers betreft.
De rechtbank is van oordeel dat doel en strekking van artikel 20.8 van de Wet
milieubeheer, mede gelet op de onpraktische en, naar moet worden aangenomen
onbedoelde consequenties van het eerste, met zich brengen dat dit laatste het
geval is.
Dat wil dus zeggen dat de gedragingen ten aanzien van de bunkers en de
MAVO-boxen getoetst moeten worden aan de betreffende bepalingen van de
vergunningen van 22 april 1997 en 19 juli 1999 en dat ten aanzien van de
zeecontainers geen voorschriften golden, zodat deze ook niet kunnen zijn
overtreden.
Van de zijde van het Openbaar Ministerie is betoogd dat de vergunningen van 22
april 1997 en 19 juli 1999 formele rechtskracht hebben nu daartegen geen
rechtsmiddelen aangewend zijn. De rechtbank kan het Openbaar Ministerie daarin
niet volgen. De datum van inwerkingtreding van de vergunningen wordt namelijk
niet bepaald door de vergunningen zelf, maar door (onder meer) artikel 20.8 van
de Wet milieubeheer. Het staat de rechtbank ondanks de formele rechtskracht
derhalve vrij om te toetsen of de vergunningen al in werking zijn getreden.
De verzoeken om contra-expertise (alleen [Verdachte B]):
Door de raadsman is nog gevraagd om een contra-expertise op de testen zoals die
door TNO in Oldebroek en bij Berlijn zijn gedaan. Dienaangaande wordt overwogen
dat door de officier van justitie ter terechtzitting van 1 juni 2001 is
aangegeven dat het alsnog verkrijgen van vuurwerk daarvoor op twee problemen
stuit: ten eerste moet dat vuurwerk uiteraard in grote mate overeenkomen met het
vuurwerk van SE Fireworks en ook zal het steeds geanalyseerd moeten worden om te
kunnen beoordelen of er overeenkomst is; ten tweede ligt de export vanuit China
naar Nederland nagenoeg stil;
exporteurs weigeren nog langer te vervoeren en afnemers willen alleen afnemen
als er geen onduidelijkheid bestaat over de classificatie en het vuurwerk in
China deugdelijk is getest. Gelet op deze feiten en omstandigheden alleen al is
de rechtbank van oordeel dat de gevraagde contra-expertise niet realiseerbaar is
omdat daarvoor geschikt vuurwerk ontbreekt. De rechtbank wijst het verzoek
daarom af.
De bewezenverklaring (beide verdachten):
Het bewezen verklaarde levert op:
Voor wat betreft sub 1,
a. het misdrijf:
Overtreding van een voorschrift, gesteld bij en krachtens artikel 18.18 van de
Wet milieubeheer, terwijl het feit opzettelijk wordt begaan en terwijl het
strafbare feit wordt begaan door een rechtspersoon, terwijl hij, verdachte
(als medepleger) tot het feit opdracht heeft gegeven en feitelijk leiding heeft
gegeven aan de verboden gedraging,
b. het misdrijf:
Overtreding van een voorschrift, gesteld bij en krachtens artikel 18.18 van de
Wet milieubeheer, terwijl dat feit opzettelijk wordt begaan en terwijl het
strafbare feit wordt begaan door een rechtspersoon, terwijl hij, verdachte (als
medepleger) feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging,
c. de overtreding:
Overtreding van een voorschrift, gesteld bij en krachtens artikel 18.18 van de
Wet milieubeheer, terwijl het strafbare feit wordt begaan door een
rechtspersoon, terwijl hij, verdachte, (als medepleger) tot het feit opdracht
heeft gegeven en feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging,
Voor wat betreft sub 2, het misdrijf:
Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1, aanhef en onder b van
de Wet milieubeheer, terwijl het feit opzettelijk wordt begaan en terwijl het
strafbare feit wordt begaan door een rechtspersoon, terwijl hij, verdachte
(als medepleger) tot het feit opdracht heeft gegeven en feitelijk leiding heeft
gegeven aan de verboden gedraging,
Voor wat betreft sub 3, het misdrijf:
Overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 2 van de Wet
milieugevaarlijke stoffen, terwijl het feit opzettelijk wordt begaan en terwijl
het strafbare feit wordt begaan door een rechtspersoon, terwijl hij verdachte
(als medepleger) tot het feit opdracht heeft gegeven en feitelijk leiding heeft
gegeven aan de verboden gedraging,
Voor wat betreft sub 5 primair, het misdrijf:
Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij en krachtens artikel
24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, juncto artikel 3 van het
Vuurwerkbesluit, terwijl het feit opzettelijk wordt begaan,
Voor wat betreft sub 6 primair, het misdrijf:
Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij en krachtens artikel
24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, juncto artikel 8 van het
Vuurwerkbesluit, terwijl het feit opzettelijk wordt begaan,
Voor wat betreft sub 7 primair, het misdrijf:
Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij en krachtens artikel
24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, juncto artikel artikel 9 van het
Vuurwerkbesluit, terwijl het feit opzettelijk wordt begaan,
de laatste drie feiten meermalen gepleegd
Afwezigheid van alle schuld (beide verdachten):
Met betrekking tot het in de dagvaarding onder feit 1 bewezen verklaarde
opzettelijk in strijd met vergunningsvoorschrift 13.2.1 van de milieuvergunning
vuurwerkbewaarplaatsen niet voorzien en voorzien houden van toegangsdeuren die
zelfsluitend waren en vuurwerkbewaarplaatsen, te weten de zogenoemde MAVO-boxen,
niet voorzien en voorzien houden van toegangsdeuren die zelfsluitend waren en
die een brandwerendheid van ten minste 30 minuten bezaten, is de rechtbank van
oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in voldoende mate aannemelijk
is geworden dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid
ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedragingen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is met betrekking tot het overtreden van
het vergunningsvoorschrift “zelfsluitende deuren” gebleken dat de ambtenaren
die met de controle van de naleving daarvan belast waren, al lang voordat
verdachten het bedrijf hadden overgenomen, gezegd hebben dat zij op dat punt
niet meer controleerden omdat zij het voorschrift onpraktisch vonden. Aan de
andere kant zien we dan dat dit voorschrift, hoewel er niet meer op
gecontroleerd werd, toch weer in een nieuwe vergunning werd opgenomen. Ook zien
we dat ten laste gelegd is overtreding van de vergunningsvoorschriften dat de
deuren van de MAVO-boxen en de zeecontainers een brandwerendheid van tenminste
30 minuten dienden te hebben.
Een brandwerendheid van die duur hebben ze op één enkele uitzondering na nooit
gehad, want behalve die ene deur waren alle betreffende deuren gewoon
plaatstaal. Brandwerendheid vier minuten. Dit gegeven lag vast in een
TNO-rapport van 1997, waarover de gemeente Enschede reeds voor de overname van
het bedrijf door verdachten beschikte. Iedereen kon zien dat er niets aan die
deuren gedaan was. Toch is het voorschrift weer in de vergunning van 1997
opgenomen. Nooit is er echter ook maar iets van die deuren gezegd. Wel is er,
met één uitzondering, elk jaar door de gemeente bij het bedrijf gecontroleerd.
Naar het oordeel van de rechtbank kan onder de hierboven geschetste
omstandigheden formeel weliswaar niet, zoals de verdediging wil dat het gebeurt,
gezegd worden dat het aan verdachten vergund was om vuurwerk in MAVO-boxen en
zeecontainers op te slaan die verkeerden in de toestand waarin de MAVO-boxen en
de zeecontainers van het bedrijf feitelijk verkeerden, maar materieel gesproken
kwam het daar toch wel op neer. Een en ander klemt temeer daar, naar de
rechtbank zonder aarzeling op het woord van verdachten en hetgeen haar overigens
ter gelegenheid van het onderzoek gebleken is aanneemt, de situatie in het
bedrijf op deze punten onder verdachten niet anders is geweest dan onder hun
voorganger [Vorige eigenaar].
Het vorenstaande impliceert naar het oordeel van de rechtbank echter dat
verdachte er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat genoemde
overheidsinstanties die zoals gezegd, betrokken waren bij zowel het verlenen, de
controle als de handhaving van de onderhavige milieuvergunningen en derhalve als
gezaghebbend in de materie zijn aan te merken, de bij hen bekend zijnde
tekortkomingen voor wat betreft de zelfsluitendheid en de brandwerendheid
gedoogden en kennelijk niet voornemens waren daar tegen op te treden.
De rechtbank is gelet op het vorenstaande, van oordeel dat bij verdachte terzake
de zelfsluitendheid en de brandwerendheid der deuren afwezigheid van alle schuld
mag worden verondersteld, welke afwezigheid tot zijn niet strafbaarheid leidt en
dat verdachte daarom te dier zake behoort te worden ontslagen van alle
rechtsvervolging.
Strafbaarheid (beide verdachten):
De verdachte is voor de overige bewezen verklaarde feiten strafbaar, aangezien
niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.
Eéndaadse samenloop (alleen [Verdachte B]):
Met betrekking tot de bewezen verklaarde feiten 5, 6 en 7 is door de raadsman
nog aangevoerd dat hier sprake is van ééndaadse samenloop. De rechtbank volgt
hem daar niet in. Weliswaar zien de voormelde feiten in de kern op het afleveren
van vuurwerk aan particuliere gebruikers, maar daarbij zijn -blijkens de
artikelsgewijze toelichting op de toepasselijke artikelen 3, 8 en 9 van het
Vuurwerkbesluit- wettelijke bepalingen overtreden die ieder op zich beschouwd
strekken tot bescherming van andere belangen: artikel 3 het tegengaan van de
verkoop van evenementenvuurwerk aan particuliere gebruikers, artikel 8 het
verkopen van vuurwerk buiten de toegestane dagen en artikel 9 het bedrijfsmatig
afleveren van vuurwerk vanuit daartoe niet geëigende ruimtes. De rechtbank
verwerpt dit verweer daarom.
Strafmotivering (beide verdachten):
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een
gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een
proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest, alsmede tot ontzetting uit het
recht tot gebruikmaking van een bestaande vergunning als bedoeld in de Wet
milieubeheer alsmede (nog) te verlenen vergunningen voor de maximale duur als is
bepaald in artikel 7 van de Wet op de economische delicten.
De rechtbank overweegt voor wat de straf betreft, dat op grond van de aard van
de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van
verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is
gebleken, aan verdachte de straffen behoren te worden opgelegd, zoals deze
hierna zullen worden bepaald, waarbij meer in het bijzonder nog het volgende is
overwogen:
Op 13 mei 2000 heeft zich in Enschede een zware ontploffing voorgedaan met zeer
ernstige gevolgen. Niet alleen voor de direct betrokkenen, maar voor de hele
stad. Er zijn levens verloren gegaan; mensen hebben, soms zwaar, lichamelijk
letsel opgelopen; mensen zijn psychisch beschadigd; er is een enorme materiële
schade ontstaan; velen lijden nog steeds schade omdat de situatie nog niet
genormaliseerd is. De inmiddels verstreken tijd is daar te kort voor.
In deze strafzaak zijn, materieel bezien, aan de orde overtredingen door SE
Fireworks, [Verdachte B] en [Verdachte P] met betrekking tot de vergunningen die
dat bedrijf had, de vraag of dergelijke overtredingen, toen er eenmaal brand in
het bedrijf was uitgebroken, tot gevolg hebben gehad dat die brand zich heeft
uitgebreid en/of tot ontploffingen heeft geleid die als direct gevolg van de
ramp de dood van tenminste een twintigtal mensen tot gevolg hebben gehad,
alsmede illegale handel in vuurwerk. Uitdrukkelijk niet aan de orde is de
oorzaak van de brand. Zowel de overtredingen van de vergunningsvoorschriften als
de illegale handel zijn zogenaamde economische delicten. Alleen het door zijn
schuld veroorzaken van de ontploffing en de daarna subsidiair ten laste gelegde
dood door schuld, zijn zogenaamde commune delicten.
Een aantal der ten laste gelegde overtredingen van vergunningsvoorschriften
heeft de rechtbank bewezen verklaard. Ten aanzien van de meeste daarvan heeft de
rechtbank bovendien bewezen verklaard dat zij opzettelijk zijn begaan.
Opzettelijk in de zin van het Wetboek van Strafrecht. Niet in de betekenis die
in het alledaagse spraakgebruik aan dat woord gegeven wordt. Ook heeft de
rechtbank de ten laste gelegde illegale handel in vuurwerk, opzettelijk
gepleegd, bewezen geacht.
Niet heeft de rechtbank bewezen geacht dat er oorzakelijk verband bestaat tussen
de bewezen verklaarde overtredingen van vergunningsvoorschriften en het feit dat
een brand op het terrein van het bedrijf zich heeft kunnen uitbreiden en tot
ontploffingen heeft geleid die direct de dood van tenminste twintig mensen tot
gevolg heeft gehad.
De ten laste gelegde feiten met de hoogste strafbedreiging zijn de opzettelijke
overtredingen van de vergunningsvoorschriften. Daar staat voor wat betreft de
zwaarste bewezen verklaarde feiten een maximumstraf op van zes jaar. Die straf
kan nog eens met een derde verhoogd worden omdat er meerdere van deze
overtredingen, die allemaal misdrijven opleveren, bewezen verklaard zijn. Dat
betekent dus dat er een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaar kan worden
opgelegd. Daarnaast kan er nog een geldboete worden opgelegd. De strafbedreiging
terzake de commune delicten -maximaal een jaar vrijheidsstraf en een boete van
ten hoogste f. 25.000,= valt in het niet bij de straffen die op de economische
delicten zijn gesteld en speelde daarom, hoe hard dat ook mag klinken, geen rol
bij de strafbepaling in deze zaak.
De vraag is nu hoe zwaar de straf die aan verdachten moet worden opgelegd,
behoort te zijn. De wet zegt dat bij de bepaling daarvan gelet dient te worden
op de ernst van de zaak, de verwijtbaarheid en de persoon van de dader.
Daarnaast spelen echter, naar uit de jurisprudentie blijkt, ook allerhande
andere omstandigheden een rol. Dat zijn dingen zoals het verloop van het
onderzoek, de duur daarvan en de vraag of anderen, die mogelijk ook vervolgd
hadden kunnen worden, ook vervolgd zijn of nog vervolgd worden.
Kijken we naar al deze omstandigheden, dan zien we bijvoorbeeld dat zowel de
gemeente Enschede en haar met de vergunningverlening belaste en controlerende
ambtenaren, als de betrokken ambtenaren van het Bureau Milan van het Ministerie
van Defensie hun taken in deze op een volstrekt onbegrijpelijke wijze hebben
uitgevoerd.
Zo heeft Milan, vele bedrijfsbezoeken ten spijt, zeer geruime tijd in de
veronderstelling verkeerd dat er bij SE Fireworks uitsluitend
consumentenvuurwerk opgeslagen lag en toen men er eenmaal achtergekomen was dat
de hoeveelheid evenementenvuurwerk de hoeveelheid consumentenvuurwerk ruim
overtrof, zelfs geen poging in het werk gesteld om de opslag daarvan in
zeecontainers en MAVO-boxen terug te (laten) draaien. Ja zelfs heeft men -gelet
op een mededeling van de gemeente dat het om tijdelijke opslag ging- met opslag
van nog meer vuurwerk in de reeds aanwezig zeecontainers ingestemd en zelfs
ingestemd met uitbreiding van het aantal zeecontainers, zij het met de
toevoeging dat dergelijke opslag “niet de voorkeur had”.
De gemeente heeft verkeerde prioriteiten gelegd door haar beperkte beschikbare
menskracht veel te veel in te zetten op nieuwe prestige projecten in plaats van
de nodige aandacht te schenken aan de handhaving en controle van bestaande zaken
en ook heeft zij, kennelijk uit angst voor het moeten betalen van hoge
vergoedingen in geval van verhuizing van SE Fireworks, uit veiligheidsoogpunt
volstrekt onacceptabele situaties in het leven geroepen door iets te vergunnen
dat in wezen nooit vergund hadden mogen worden.
Dat voor het plaatsen van zeecontainers een bouwvergunning noodzakelijk is heeft
men geheel uit het oog verloren, met als gevolg dat de daarmee belaste
ambtenaren zelfs niet bij de vergunningverlening betrokken zijn. De brandweer
beschikte niet over een aanvalsplan.
Ambtenaren van de gemeente hebben adviezen van Milan niet opgevolgd.
Vergunningsvoorschriften zijn onduidelijk geformuleerd. Controlerende ambtenaren
hebben niet of onvoldoende gecontroleerd en tenminste één wethouder heeft een
onjuiste vergunning zonder meer voor gezien geparafeerd, zonder er iets van te
zeggen. Bovendien hebben de controles jaar in jaar uit steeds in de laatste
dagen van het jaar plaatsgevonden, waarmee zij elk verrassingseffect ontbeerden.
Naar aanleiding van geconstateerde overtredingen van vergunningsvoorschriften is
er niet verbaliserend opgetreden. Wel is er wel eens een briefje gestuurd met
het verzoek om een aantal misstanden te verhelpen, maar vaker zijn die
misstanden door de vingers gezien en zelfs achteraf gelegaliseerd.
In de ogen van de rechtbank dient een en ander voor verdachte in deze strafzaak
strafverminderend te werken.
Daar staat natuurlijk tegenover dat verdachte verwijtbaar geen kennis genomen
had van de vergunningen en daarom de betreffende vergunningsvoorschriften
verwijtbaar niet kende en aldus verwijtbaar de door de gemeente en zijn
voorganger [Vorige eigenaar] geschapen zieke toestand liet voortduren.
Ook voor de overtreding van de vergunningsvoorschriften die tot gevolg had dat
er vuurwerk in de als C2 aangeduide ruimte (de werk-, ompak- en montageruimte)
heeft gelegen op tijdstippen dat er met betrekking tot dat vuurwerk geen
werkzaamheden meer werden verricht, althans dat vuurwerk niet na het beëindigen
van de werkzaamheden daaraan uit C2 verwijderd is en dat de inrichting zonder
vergunning met een aantal containers voor vuurwerkopslag is uitgebreid, geldt
dat de rechtbank op grond van alle haar ter beschikking staande gegevens moet
aannemen dat de handelwijze van verdachten nagenoeg niet anders was dan die van
[Vorige eigenaar]. Dat geldt ook de illegale handel in evenementenvuurwerk.
Daarom is in dit verband niet goed te begrijpen dat verdachte wegens overtreding
van deze vergunningsvoorschriften vervolgd wordt, terwijl [Vorige eigenaar] met
betrekking tot het ongeoorloofd aanwezig hebben van vuurwerk in C2 niet vervolgd
wordt en de door hem gepleegde uitbreiding zelfs zonder meer achteraf
gelegaliseerd is.
De rechtbank acht deze handelwijze een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel,
temeer daar het bewijs van deze feiten met betrekking tot [Vorige eigenaar] niet
sterker of zwakker is dan dat met betrekking tot verdachten en de
verjaringstermijn ten aanzien van deze feiten twaalf jaar is.
De periode waarop de tenlastelegging ten aanzien van verdachten ziet, begint
slechts één enkele dag later dan die waarop de handelwijze van [Vorige
eigenaar] eindigde. Het -ongemotiveerde beroep van het Openbaar Ministerie op
het opportuniteitsbeginsel voor zijn beslissing om [Vorige eigenaar] niet te
vervolgen, acht de rechtbank in dit verband dan ook onbegrijpelijk. Zoals al
eerder gezegd vindt de rechtbank niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar
Ministerie op deze grond een te ver gaande sanctie, maar wel komt aan een ander
een strafverminderende werking toe.
Voor het besluit van het Openbaar Ministerie om het Rijk en de gemeente Enschede
alsmede de ambtenaren van die lichamen die feitelijk bij de vergunningverlening
aan SE Fireworks en de handhaving van de vergunningen betrokken zijn geweest,
niet strafrechtelijk te vervolgen, kan de rechtbank, hoe onvoorstelbaar
onzorgvuldig hun optreden op alle fronten ook is geweest, wel begrip opbrengen.
Naar de huidige stand van het recht staan het zogenaamde Volkel-arrest en het
zogenaamde Pikmeer II-arrest daar namelijk aan in de weg. Dit brengt mee dat het
gelijkheidsbeginsel op dit punt niet geschonden is, zodat er ook geen grond is
tot strafvermindering wegens de niet vervolging van deze (rechts)personen.
De duur van het onderzoek geeft de rechtbank ook geen aanleiding om daaraan een
strafverminderende werking toe te kennen. Er is sprake geweest van een uiterst
omvangrijk onderzoek, dat geen moment heeft stilgelegen en waaraan de politie en
het Openbaar Ministerie met voortvarendheid alle denkbare aandacht geschonken
hebben.
De zaak is bovendien binnen twee jaar afgerond en daarmee binnen de tijd die het
Europese Hof voor de Rechten van de Mens in strafzaken als “within a
reasonable time” aanmerkt.
Met betrekking tot de fouten die het Openbaar Ministerie bij de telefoontaps
heeft gemaakt en de onjuiste inlichtingen die het Openbaar Ministerie terzake
die taps aan de rechtbank verstrekt heeft, kan de rechtbank betrekkelijk kort
zijn. Het had niet mogen gebeuren.
Eerder is al door de rechtbank beslist dat er geen grond is om het Openbaar
Ministerie wegens deze feiten niet-ontvankelijk te verklaren. Bewijs voor
bewezen verklaarde feiten is noch direct, noch indirect als gevolg van deze
omstandigheden verkregen, zodat er geen grond voor bewijsuitsluiting is. Bij de
bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank wel met deze omstandigheid
rekening gehouden.
De ten laste gelegde feiten zijn deels ernstig en deels zeer ernstig. Van de
meest ernstige feiten, het aanwezig hebben van vuurwerk van de klassen 1.1 en
1.2, althans van vuurwerk van een zwaardere klasse dan 1.4 in ongeschikte
opslagruimtes in de wetenschap, of terwijl hij redelijkerwijs kon vermoeden dat
daardoor gevaar voor mens of milieu kon ontstaan en dat hij onvoldoende gedaan
heeft om alle maatregelen te nemen, die redelijkerwijs konden worden gevergd om
dat gevaar zoveel mogelijk te beperken, alsmede het opzettelijk opslaan van
zwaarder vuurwerk dan was toegestaan, is verdachte echter vrijgesproken.
Daarmee blijven overtredingen van een beperkt aantal vergunningsvoorschriften,
het zonder vergunning uitbreiden van het aantal opslagcontainers -wat onder
[Vorige eigenaar] ook meermalen gebeurd en vervolgens probleemloos gelegaliseerd
is- en de aanwezigheid van een inadequate, maar bij geen enkele controle
becommentarieerde brandblusinstallatie, over. Daarnaast blijft de illegale
handel volledig overeind.
De rechtbank is van oordeel dat het verwijt dat aan verdachte gemaakt kan worden
wegens overtreding van de voorschriften die niet gehandhaafd werden, niet erg
groot is. Het niet aanwezig hebben van een adequate brandblusvoorziening acht de
rechtbank ernstiger. Naar haar oordeel brengt de eigen verantwoordelijkheid van
verdachte, die tenslotte door zijn jarenlange omgang met vuurwerk precies had
moeten weten hoe gevaarlijk dat kan zijn, mee dat hij ook zonder enige
aansporing van buitenaf, in welke vorm dan ook, voor adequate
brandblusvoorzieningen, waaronder een volautomatische sprinklerinstallatie, had
moeten zorgen, wat het effect van zo een installatie op 13 mei 2000 overigens
ook geweest mocht zijn. Zeer kwalijk neemt de rechtbank het verdachte dat hij de
vergunningen niet kende en zelfs niet de moeite genomen heeft om daarover de
beschikking te krijgen en aldus van de meeste vergunningsvoorschriften in het
geheel niet op de hoogte was. Dat is niet aan verdachte ten laste gelegd, maar
speelt uiteraard wel een belangrijke rol bij de beoordeling van zijn persoon.
Met betrekking tot de illegale vuurwerkhandel zijn er geen omstandigheden die
bijzondere aandacht behoeven.
In de, het zij toegegeven beperkte, rapportage met betrekking tot de persoon van
verdachte en de persoonlijke gevolgen die de ontploffing voor hem heeft gehad,
vindt de rechtbank geen aanleiding om zich nader daaromtrent te laten
voorlichten. Zij acht zich voldoende over de persoon van verdachte voorgelicht.
Wel houdt zij bij de bepaling van de op te leggen straffen rekening met de duur
van het voorarrest en de omstandigheden -maximale beperkingen gedurende vrijwel
dat gehele voorarrest- waaronder dat is ondergaan.
De beslissing (in beide zaken):
Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn recht tot
strafvervolging van verdachte.
Verklaart -zoals hiervoor al overwogen- niet bewezen wat aan verdachte sub 4
primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen, dat het sub 1, sub 2, sub 3, sub 5 primair, sub 6 primair en
sub 7 primair ten laste gelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.
Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals
hierboven vermeld.
Verklaart verdachte strafbaar, met uitzondering van het in feit 1 bewezen
verklaarde handelen in strijd met de achter het derde en vierde
gedachtenstreepje opgenomen vergunningsvoorschriften en ontslaat verdachte te
dier zake van alle rechtsvervolging.
Veroordeelt verdachte ter zake de sub 1, sub 2, sub 3, sub 5 primair, sub 6
primair en sub 7 primair bewezen verklaarde strafbare feiten (misdrijven) tot
een gevangenisstraf voor de tijd van zes maanden.
Beveelt dat van de gevangenisstraf een gedeelte groot drie maanden en acht dagen
([Verdachte P]) c.q. drie maanden en negen dagen ([Verdachte B]) niet zal worden
tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond
dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee
jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.
Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze
uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de
uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de hem opgelegde
gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Veroordeelt verdachte ter zake van het sub 1 bewezen verklaarde strafbare feit
(overtreding) tot een geldboete ten bedrage van 2250 EURO, met bevel, voor het
geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde
bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 35 dagen zal worden
toegepast.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte sub1, sub 2, sub 3, sub 5
primair, sub 6 primair en sub 7 primair meer of anders is tenlastegelegd dan
hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Heft op het tegen verdachte verleende (geschorste) bevel tot voorlopige
hechtenis, met ingang van heden.
Aldus gewezen door mrs. Breitbarth, Rikken en Schreuder, in tegenwoordigheid van
Ter Haar, griffier
|